Georges Pichard werd geboren op 7 januari 1920 in het Beaujon-ziekenhuis, in het 8e arrondissement van Parijs. Op 15 maart 1946 trouwt hij met Jacqueline Hulot. Hij stierf op 6 juni 2003 in het 16e arrondissement van Parijs. Zijn vrouw stierf zes jaar later.
Na cursussen te hebben gevolgd aan de School voor Toegepaste Kunsten, begint Georges Pichard in de reclame voor het bureau Drager. Hij gaf les in strips en grafische vormgeving aan de Duperré ’École des arts appliqués’, waar hij studenten had als Marcel Gotlib en Annie Goetzinger.
Als cartoonist werkte hij van 1947 tot 1971 voor Le Rire en Le Fou-Rire.
Zijn eerste strips verschenen in het blad voor meisjes La Semaine de Suzette in 1956:
Enkele lange verhalen en een aantal korte verhalen van meestal 2 pagina's:
Miss Mimi, La déesse des 7 félicités
Nr. 26 - 24 mai 1956 - 12 - 13 février 1957, 39 pagina’s
Le meilleur cadeau Nr. 27 - 30 mai 1957, 3 pagina’s
Claudine et le scooter Nr. 38 - 5 août 1957, 2 pagina’s
Une petite plage déserte Nr. 49 - 31 octobre 1957 - nr. 8 - 16 janvier 1958, 13 pagina’s
Ça tourne mal Nr. 9 - 13 janvier 1958 - nr. 17 - 20 mars 1958, 13 pagina’s
Satellite X T. 1 (1958) tekst H.G. Gallet et J. Tournier,
Nr. 13 - 20 février 1958 - nr. 50 - 6 novembre 1958, 39 pagina’s
Satellite XT. 1 is een sciencefiction-verhaal voor jonge meisjes, maar het respecteert de normen van het genre. We zien ruimteschepen en we aarzelen niet om kinderen op reis naar het zonnestelsel te sturen, met het grootste respect voor de moraal, natuurlijk.
Sinds de Spoetnik is de tijd al een beetje verstreken... De raketten zijn verbeterd, en vervoeren mensen. Door internationale overeenstemming, is in de ruimte de creatie mogelijk gemaakt van een gigantische kunstmatige satelliet XT.1, een echt bewoond ruimtestation, dat voor onbepaalde tijd rond de aarde zal draaien. Automatische raketten hebben de maan bereikt, en de Verenigde Naties zijn nabij de XT1-satelliet de bouw begonnen van een ruimtevaartuig dat de eerste expeditie naar de maan zal ondernemen.
Babette en Polo gaan, op voorstel van oom Etienne, in een gevleugelde raket naar de XT1-satelliet om mee te mogen in het ruimtevaartuig dat hen naar de maan zal brengen…
Claudine détective Nr. 30 - 19 juillet 1958, 2 pagina’s
Le toutou d’anniversaire Nr. 43 - 18 septembre 1958, 2 pagina’s
Sans permis Nr. 47 - 16 octobre 1958, 2 pagina’s
Anne Laure dactylo Nr. 50 - 6 novembre 1958, 2 pagina’s
Pervenche et le trésor Toltèque Nr. 51 - nr. 89 1958/59, ? pagina’s
Claudine fait de la publicité Nr. 52 - 20 novembre 1958, 2 pagina’s
Isabelle et son chanteur Nr. 55 - 11 decembre 1958, 2 pagina’s
Le loup garou de la Forêt Noire Nr. 61 - 1959
Ma guitare est mon soleil Nr. 67 - 1959
La station 7 ne répond plus Nr. 68 - 1959
La comptesse de La-riboisière Nr. 70 - 1959
La souris blanche de SamarraNr. 80 - 4 juin 1959, 2 pagina’s
L’escapade de Monique Nr. 81 - 11 juin 1959, 2 pagina’s
La Reine des ondines, tekst Yves Duval Nr. 83 - 25 juin 1959, 2 pagina’s
Le talisman de Mlle Jé-Wang, tekst Yves Duval Nr. 85 - 1959, 2 pagina’s
Sous la porte Nr. 99 - 15 octobre 1959, 2 pagina’s
Jacky vedette Nr. 101 - 29 octobre 1959, 2 pagina’s
Minouchette Nr. 124 - 7 avril 1960, 2 pagina’s
Babichoune, François et leur invité Nr. 127 - 28 avril 1960, 2 pagina’s
La cueillette Nr. 128 - 5 mai 1960, 2 pagina’s
La véritable aventure de Chéri Rubis Nr. 130 - 19 mai 1960, 1 pagina
L’araignée et le professeur de mathématique Nr. 131 - 26 mai 1960, 1 pagina
Le repentir de Julato Nr. 133 - 1960, 1 pagina
La statue d’argile Nr. 140 - 1960, 1 pagina
Eind 1964 begon Georges Pichard pas echt met strips voor het weekblad Chouchou, waar hoofdredacteur Jean-Claude Forest hem voorstelde aan Jacques Lob, die zijn belangrijkste scenarioschrijver werd. Lob en Pichard creëren samen Ténébrax in de eerste negen nummers, en een compleet verhaal van 7 pagina's in het veertiende en laatste nummer; Chasseurs de Mirages. Daarna volgde Submerman (1967), gepubliceerd in Pilote en later Bornéo Jo (scenario Danie Dubos, 1983) in Charlie Mensuel.
Pichard tekende graag genereus gevormde dames. Hij creëerde Blanche Épiphanie (1967) voor V-Magazine en France-Soir, weer samen met Jacques Lob. Vervolgens maakte hij Paulette (1970), op scripts van Georges Wolinski. Het is deze serie, die jarenlang in pagina's van Charlie Mensuel verscheen, die hem echt bekend maakte in Frankrijk.
Voor Charlie Mensuel maakte hij ook nog; Edouard - La réserve (1978), Ceux-là (1980) op scénario van Jean-Pierre Andrevon, en Les Manufacturées (1980), met een scénario van Claude Faraldo. Op eigen scenario verscheen l'Usine (1979) bij Glénat.
Jeune Afrique publiceerde in 1971 het verhaal van een vrouwelijke James Bond; Ah! Ça ira Sahara, op scenario van Françoise Prévost.
Tussen 1968 en 1975 verscheen in o.a. Linus, France-Soir en Phénix, de bewerking door Jacques Lob, van Ulysse (1974), naar Homerus.
Eind jaren ’70, begin ’80 werden er steeds meer strips gemaakt voor volwassener publiek en werd dit genre meer geaccepteerd.
Pichard ging ook steeds gedurfder werken. Zo verschenen na Lolly-Strip (1972), Caroline Choléra (1977); Marie-Gabrielle de Saint-Eutrope (1977), waarvan de afbeeldingen nog steeds één van de meest explicite zijn ooit door de auteur gemaakt. Het werk is sterk beïnvloed door de Markies de Sade voor de thematiek.
Zijn meest erotische, zelfs pornografische werken, zijn; La Comtesse rouge, Erzsebet Bathory (1985), naar Sacher Masoch, La fleur de lotus (1987) van Jin Ping Mei, Marlène et Jupiter (1988), La Voie du repentance (1992), Madoline (1995), L'Enquêteuse (2008), MCPM (Maison de Correction Princesse Mélanie) 2012, La Perfection Chrétienne, 2013 (voorwoord van Dominique Radrizzani). In sommige landen zijn deze albums nog steeds verboden.
Pichard bewerkte ook talloze klassieke erotische verhalen zoals; Trois filles de leur mère (1979) van Pierre Louÿs, Carmen (1981) van Prosper Mérimée, Les sorcières de Thessalie (1985), naar de Métamorphoses van Lucius Apuleius, de Kamasutra (1991) van Vâtsyâyana, Germinal (1992) van Emile Zola, La Religieuse (1995) van Denis Diderot of Les Exploits d'un jeune Don Juan (2010) van Guillaume Apollinaire.




























































