Charlier en Hubinon begonnen in 1949 een prachtig serie over het leven Surcouf. De tekeningen zijn subliem en de plot-wendingen zijn meeslepend. Maar het is belangrijk om te onthouden dat deze saga werd gepubliceerd in het jeugdblad Robbedoes/Spirou, in de jaren vijftig. In die tijd werd van de helden verwacht dat ze toonbeelden van deugdzaamheid waren, boven elke twijfel verheven. Eén aspect van Surcouf’s leven is echter volledig weggelaten: In zijn latere jaren, waarin hij zijn handelsposten beheerde, bestond zijn activiteit in feite uit slavenhandel, waarmee hij een fortuin vergaarde.
Robert Surcouf ging op dertienjarige leeftijd naar zee. Op 3 maart 1789, vlak voor de Franse Revolutie uitbrak, meldde hij zich aan als vrijwilliger op de ‘Aurore’, een slavenschip op weg naar Pondicherry in India en vervoerde troepen naar Isle de France (Mauritius). Tijdens haar volgende reis, om slaven te halen in de Hoorn van Afrika, verging de Aurore in het Kanaal van Mozambique, waarbij 400 tot slaaf gemaakte Afrikanen, geketend in het ruim, verdronken.
Surcouf werd kapitein van een kaperschip. (Het verschil tussen piraterij en kapen is dat het bij kapen ‘legaal’ is, omdat de kapitein toestemming heeft om een schip van een land waarmee men in oorlog is aan te vallen en te veroveren). Hij terroriseerde Britse en Portugese koopvaardij- en oorlogsschepen, niet alleen op de Europese wateren, maar ook in de wateren rond India, wat hem de bijnaam "Tijger van de zeven Zeeën” opleverde. Hij veroverde meer dan 40 schepen. Zijn activiteiten brachten hem erkenning. Hij werd, tijdens de Franse Revolutionaire en Napoleontische Oorlogen, op 14 juni 1804 benoemd tot lid van het Legioen van Eer. Hij werd één van de rijkste en machtigste scheepseigenaren in Saint-Malo en een grootgrondbezitter.
Carrière
Surcouf begon zijn maritieme carrière als officier op de schepen ‘Aurore’, ‘Courrier d'Afrique’ en ‘Navigateur’. Nadat hij tot kapitein was opgeklommen, hield hij zich illegaal bezig met slavenhandel aan boord van het slavenschip ‘Créole’. Vervolgens werd Surcouf kapitein van het koopvaardijschip ‘Émilie’, waarmee hij, ondanks het ontbreken van een kaperbrief, handelsschepen plunderde.
Toen Surcouf in 1792 in Port Louis, de hoofdstad van l’Île-de-France aanmeerde, vernam hij het nieuws dat Frankrijk intussen in oorlog was met Groot-Brittannië, waarop hij omwille van zijn vroegere militaire opleiding door de plaatselijke gouverneur ter versterking werd ingedeeld op één van de fregatten die het eiland moesten verdedigen.
Hij viel Britse oorlogsschepen aan en veroverde verschillende koopvaardijschepen, waaronder de Oost-Indiëvaarder ‘Triton’, voordat hij terugkeerde naar het eiland Île de France (naam van het huidige Mauritius tussen 1715 en 1810), waar zijn buit werd geconfisqueerd. Surcouf keerde vervolgens terug naar Frankrijk, waar hij prijzengeld van de overheid ontving. Terug op de Indische Oceaan werd Surcouf kapitein van de kaperschepen ‘Clarisse’ en ‘Confiance’, waarmee hij Britse, Amerikaanse en Portugese schepen plunderde. Hij veroverde de Oost-Indiëvaarder ‘Kent’ op 7 oktober 1800. Terug in Frankrijk werd Surcouf door Napoleon onderscheiden met het “Legioen van Eer” en de adellijke titel van baron.
In 1807 nam Surcouf op vraag van Napoleon opnieuw dienst bij de marine met de opdracht de Engelse handelsvloot in de Indische Oceaan verder te bestrijden. Eind januari 1808 bereikte hij met een klein vlooteskader Port Louis maar boekte de daaropvolgende maanden in de strijd tegen de Engelsen weinig succes. Ontgoocheld verliet hij de marine en zeilde terug naar Frankrijk. Toen in juni 1815 Napoleon definitief werd verslagen door de geallieerde mogendheden in de Slag bij Waterloo, betekende dit meteen ook het einde van Surcouf’s kapersloopbaan.
Terug in Saint Malo sponsorde Surcouf kapers en koopvaardijschepen, waaronder slavenschepen. Zijn kapers voerden campagnes tegen de Britse handel in de Indische Oceaan en het Kanaal. De kotter ‘Renard’, een schip van hem, verwierf faam door haar overwinning op de ‘HMS Alphea’ op 9 september 1812, waarbij de ‘Alphea’ explodeerde nadat ze Franse pogingen tot enteren had afgeslagen.
Slavenhandel
Robert Surcouf nam deel aan de slavenhandel als luitenant op verschillende expedities, vervolgens als kapitein en uiteindelijk als eigenaar van een slavenschip aan het einde van zijn leven, ondanks het verbod op deze handel in 1815.
Tussen 1814 en 1827 organiseerde Surcouf meer dan 116 commerciële reizen. In 1815 gaf hij opdracht voor de bouw van het schip ‘Africain’ om gevangen Afrikanen vanuit Gabon te vervoeren. ‘Africain’ maakte in 1819 nog een slavenhandel-reis. Vier andere expedities worden er ook van verdacht slaventransporten te zijn geweest: die van ‘Marie-Anne’ in 1819, ‘Adolphe’ in 1820, en in 1821 ‘Victor’ en ‘Adolphe’, onder leiding van René Decaen en met Désiré Surcouf als eerste officier, onder het voorwendsel naar Isle Bourbon (nu Réunion) te varen, maar in werkelijkheid slaven naar Cuba en Philadelphia vervoerde.
Na de restauratie van het koningshuis Bourbon in Frankrijk organiseerde Surcouf visexpedities naar Newfoundland en vergaarde daar een aanzienlijk fortuin mee.
De “Koning der kapers”, zoals Surcouf vaak werd genoemd, kwam de achtste juli 1827 op 53-jarige leeftijd te overlijden aan de gevolgen van een beroerte. Hij werd begraven in Saint-Malo.










![Surcouf [Intégrale]](https://assets.lastdodo.com/image/ld_thumb3/plain/assets/catalog/assets/2025/12/31/b/d/c/pdf_bdcffbfa-e64d-11f0-8ec2-aff1811584a9.jpg)



























